Artikel geplaatst op: 20-05-05

Voordracht VOCM op cannabisconferentie

In 1996 heeft Nederland onder druk van het buitenland (vooral Frankrijk) gedoogcriteria deels versoepeld en deels aangescherpt. De gedoogde cannabisvoorraad in de coffeeshop is toen vastgesteld op 500 gram in plaats van 30 gram. Echter de maximale verkooptransactie (per klant per dag) is teruggebracht van 30 gram naar 5 gram. Ook de leeftijd waarop toegang tot de coffeeshop kan worden verkregen is verhoogd. Namelijk van 16 jaar naar 18 jaar. Het “5 gram criterium” zou moeten leiden tot het tegengaan van drugstoerisme.

Alle gedoogde coffeeshops dienen zich in ieder geval te houden aan de strafrechtelijke AHOJG-criteria. Ik licht deze criteria voor u toe.
A geen affichering: betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;
H geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;
O geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;
J geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan personen onder 18 jaar tot een coffeeshop;
G geen verkoop van grotere hoeveelheden per transactie dan 5 gram en een maximale handelsvoorraad van 500 gram in de shop.
Het staat een gemeente vrij aanvullende voorwaarden vast te stellen. Wanneer een gedoogde coffeeshop zich houdt aan de door de lokale driehoek vastgestelde beleidsregels wordt noch strafrechtelijk noch bestuursrechtelijk tegen de coffeeshop opgetreden.

De zojuist beschreven aanscherping van de gedoogcriteria heeft - zoals dit voor insiders viel te verwachten - geleid tot een veel groter illegaal verkoopcircuit. In dit niet gedoogde circuit is geen sprake van een scheiding van de drugsmarkten. Hard- én softdrugs zijn daar samen te koop. Dit uiterst riskante illegale drugscircuit is voor de jeugdige ongestoord toegankelijk.
lamp.jpg
Overlast is subjectief, dus is het moeilijk om aan te geven waar hier precies het gevoelige punt ligt. Zo wordt er de laatste tijd door inwoners van het centrum van Maastricht meer geklaagd over de overlast door de gevolgen van alcohol.
De VOCM stelt voor om eerst terdege te onderzoeken:
- waar sprake is van overlast;
- wat deze overlast precies inhoudt;
- en of deze aan een bepaalde veroorzaker kan worden toegeschreven.

Uiteraard moet in dit onderzoek ook de overlast tengevolge van alcohol en harddrugs hierin worden meegenomen. Dit onderzoek moet volgens de VOCM door een onafhankelijk en ervaren onderzoeksbureau worden verricht.

Wat we voortdurend voor ogen moeten houden, is dat iedere drempel verhogende maatregel bij coffeeshops leidt tot een grotere aanloop bij de illegale verkooppunten, en dus tot meer overlast in de binnenstad en woonwijken.
Cijfers van het Ministerie van Justitie van november 2004 wijzen uit dat door de sterke controle van de overheid in en nabij shops nu al meer dan 50% van de cannabisverkopen buiten de gedoogde coffeeshops plaatsvinden!

Gevolgen hiervan zijn:

- De gewenste scheiding tussen hard- en softdrugs loopt groot gevaar.
- Controle door diverse instanties op naleving handhavingrichtlijnen wordt onmogelijk.
- Het belang van de volksgezondheid wordt overschaduwd door het justitieel belang, hetgeen niet de bedoeling van de Opiumwetgever is.

Coffeeshophouders dienen over de gerealiseerde winsten Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen en indien van toepassing Vennootschapsbelasting en Loonbelasting af te dragen. Dit lezen we al in “Paarse drugnota”, die in 1994 verscheen. Raadpleging van de fiscale jurisprudentie van de Hoge Raad leert dat over de fiscale controlemogelijkheden van coffeeshops al vele procedures zijn gevoerd. De fiscus weet precies hoe om te gaan met het heffen van belastingen bij coffeeshops, en de belastingbetalende burger vaart hier wel bij.

Er wordt de laatste tijd veel gesproken over het THC (Tetra Hydro Cannabinol) gehalte van de cannabisproducten.
De hulpverlening wijst op het mogelijke grotere gevaar voor de volksgezondheid, maar moet bekennen dat gedegen wetenschappelijk onderzoek nog ontbreekt. De regering heeft – zo blijkt uit paragraaf 1.2. van de cannabisbrief – op dit punt advies ingewonnen bij het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (hierna CAM). Het deskundigenoordeel van CAM luidt dat “er in het algemeen niet of nauwelijks extra risico’s zijn verbonden aan het gebruik van cannabis met een “hoger” THC gehalte”.

De VOCM is een voorstander van het verrichten van gedegen wetenschappelijk onderzoek. Als ervaringsdeskundige weet de VOCM dat het effect van bepaalde buitenlandse hasj met een hoog THC percentage mild is ten opzichte van het effect van bepaalde nederwiet met een lager THC gehalte. Hoe kan dat? De cannabisplant bevat meer dan zestig zogenaamde cannabinoïden. Onderzoek kan uitwijzen in welke mate cannabinol (CBN) en cannabidiol (CBD) in combinatie met THC de roes versterken of juist verzwakken. (Zie Korf, Wouters, Benschop en Van Ginkel in “Sterke Wiet”, Amsterdam Rozenberg Publishers 2004, p. 8.) Omdat de hoogte van de THC op zichzelf kennelijk niet bepalend is voor de sterkte van de roes (het effect na gebruik), wagen wetenschappers zich niet aan het vaststellen van een “norm”.

Hoe is het met het coffeeshopbeleid in Nederlandse gemeenten geregeld ?
Er zijn op basis van een analyse van lokale en regionale situaties verschillende varianten van coffeeshopbeleid te onderscheiden. Hierin zijn twee stelsels te onderscheiden:

a. Nulbeleid; geen coffeeshops;
b. Beleid met een maximum aantal coffeeshops.

Het zogenaamde nulbeleid of nuloptie is erop gericht dat geen coffeeshops worden toegelaten. Een nulbeleid moet goed gemotiveerd worden aan de hand van een analyse van de lokale situatie. Een belangrijk gevolg van een nulstelsel is dat er illegale verkooppunten ontstaan, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. Zoals meer overlast vanuit woningen en van straathandel, mogelijke combinatie met de verkoop van harddrugs, verkoop aan minderjarigen en dergelijke. Een ander risico is de verplaatsing van de illegale cannabisverkoop naar aangrenzende gemeenten. Door middel van goede afspraken of een gezamenlijk beleid, kan worden geprobeerd het ontstaan van illegale verkooppunten te voorkomen, te beperken of terug te dringen.
Een maximumstelsel houdt in dat een gemeente een vastgesteld maximum aantal coffeeshops wordt toelaten.Uit de jurisprudentie blijkt dat als het beleid gemotiveerd is, de concrete overlast als gevolg van de vestiging van een coffeeshop boven het gestelde maximum niet meer hoeft te worden bewezen.Het maximum aantal coffeeshops wordt bepaald aan de hand van de analyse van de lokale situatie.In dit beleid wordt omschreven dat er ruimte is voor het toelaten van een aantal coffeeshops, maar dat een overschrijding van het vastgestelde maximum zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefklimaat in de gemeente.
Omdat een maximum aantal coffeeshops is opgenomen in het beleid kan wildgroei worden voorkomen en kan tegen de vestiging van andere verkooppunten worden opgetreden. Het maximumstelsel geeft tevens duidelijkheid voor alle betrokkenen over het aantal toegestane coffeeshops en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen.

In Maastricht is gekozen voor een tussenvariant; het stelsel van een afnemend maximum. Hierbij moet de vergunning worden ingeleverd als de exploitatie wordt gestaakt door pensioen, ziekte of overlijden. Dit is in korte tijd met twee VOCM leden (overlijden) gebeurt. Tegelijkertijd zien we dan wél een sterke toename van de illegale verkooppunten door de sluiting van die twee coffeeshops.
Daarnaast zien wij een afname van de gemeenten die kiezen voor een nulbeleid. Het afschaffen of ‘wegwerken’ van het aantal coffeeshops biedt geen oplossing. De vraag blijft immers bestaan en werkt zelfs illegale straathandel in de hand.

Softdruggebruik in Nederland is geen trend maar een maatschappelijk constant aanwezige factor vergelijkbaar met alcoholgebruik. Elke vorm van gebruik van genotsmiddelen kent excessen. Om deze excessen te voorkomen dienen de juiste middelen te worden ingezet vanuit een integrale aanpak.
Om een goed beleid te voeren ten aanzien van de zichtbare vraag en het aanbod, dienen een aantal zaken goed gereguleerd te worden.

Een van de middelen om tot een gezamenlijk afstemming en aanpak te komen is het opstellen van een convenant tussen betrokken partijen. De noodzaak van samenwerking tussen deze betrokken partijen (gemeentebestuur, OM, politie, hulpverleninginstanties, GGGD en coffeeshophouders) voor een goede handhaving van het lokaal drugsbeleid behoeft nauwelijks betoog. Elk van de partijen is immers gebaat bij een transparant beleid. Er zijn voldoende voorbeelden van gemeenten die de coffeeshopvoorschriften niet hebben opgenomen in de vergunning of de gedoogbeschikking, maar in een convenant. Een convenant wordt ondertekend door de gemeente en de individuele coffeeshophouder en bevat alle afspraken en voorschriften die op basis van het lokale beleid aan coffeeshops worden gesteld. Voorwaarde is wel dat zo’n convenant niet op zichzelf staat, maar een aanvulling is op de vergunning en direct voortvloeit uit het lokale beleid.
Naast opstelling en ondertekening van een convenant/samenwerkingsovereenkomst kan de gemeente een zgn. handhavingarrangement opstellen. In een handhavingarrangement wordt concreet aangegeven wat de sancties zijn bij overtreding van de voorschriften van het coffeeshopbeleid. De gemeente (burgemeester), politie en OM hebben ieder eigen bevoegdheden op het terrein van handhaving. Het handhavingarrangement maakt inzichtelijk wanneer, door wie, met welk juridisch instrumentarium en met welke consequenties wordt opgetreden wanneer een coffeeshop zich niet houdt aan de vergunningvoorwaarden.
Niet alle gemeenten kennen een uitgewerkt handhavingarrangement. Het is wel aan te bevelen een dergelijk arrangement op te stellen, want een goed uitgewerkt handhavingarrangement leidt namelijk tot transparantie. Het maakt vooraf inzichtelijk wat de consequenties zijn van het (herhaald) overtreden van de geldende regels.
Per type overtreding wordt afgesproken hoe daarop wordt gereageerd. Dit wordt in de lokale driehoek overeengekomen.Dit heeft tot gevolg dat handhavingarrangementen, net als de voorwaarden verbonden aan exploitatievergunningen, van gemeente tot gemeente kunnen verschillen.
Overtreding van het ene AHOJG criterium wordt minder ernstig geacht dan het andere en er staat dan ook een andere sanctie op. Het verdiend aanbeveling dat vanuit het driehoeksoverleg een helder beleid wordt geformuleerd. Overtreding van het verbod om harddrugs te verkopen moet dan bijvoorbeeld harder worden aangepakt dan overtreding van het afficheringverbod.
Een gedifferentieerd stappenplan dat goed aan alle betrokkenen is medegedeeld zal ook juridisch beter houdbaar zijn. Het handhavingarrangement van het coffeeshopbeleid zou zich idealiter slechts hoeven te beperken tot de gedoogde coffeeshops. Er bestaan echter ook illegale verkooppunten van cannabis en ook het beleid ten aanzien van deze verkooppunten kan in een handhavingarrangement aan de orde komen.
Zo kan bijvoorbeeld worden aangegeven op welke wijze wordt opgetreden wanneer verkoop van cannabis wordt geconstateerd in een horeca-inrichting, zijnde geen gedoogd verkooppunt, of een vanuit een woning. (lees: illegale verkoop).
Ook hiervoor geldt dat een duidelijke communicatie aan alle betrokkenen over hoe de gemeente omgaat met illegale verkooppunten van cannabis, de houdbaarheid van het beleid ten goede komt.
Om het coffeeshopbeleid evenwichtig te kunnen uitbouwen is het van belang de specifieke omstandigheden van de gemeente zo objectief mogelijk in kaart te brengen. Hoe groot is de vraag naar cannabisproducten in de gemeente, welke gebruikersgroepen zijn er te onderscheiden, is er sprake van problematisch gebruik, waar bevinden zich verkooppunten van cannabis, is er sprake van overlast en zo ja, in welke vorm?
Op basis van onderzoek naar dergelijke gegevens zou de gemeente de juiste beleidskeuzes moeten maken. Om de lokale omstandigheden in kaart te brengen kan de gemeente te rade gaan bij de politie, het Openbaar Ministerie en de plaatselijke instelling voor verslavingszorg , jeugd- en jongerenwerk , een vereniging van of individuele coffeeshophouders en scholen. Deze beschikken, ieder vanuit de eigen werkzaamheden, over (cijfermatige) gegevens over de lokale situatie. Wij dringen ten zeerste aan om niet louter de gegevens maar ook de visie van genoemde instellingen te bestuderen en mee te laten wegen in besluitvorming
Bij de overwegingen dient echter ook het feit mee te wegen dat er tussen de gemeente Maastricht en omringende gemeenten een overeenkomst is gemaakt over regionaal beleid. Binnen de omringende gemeenten is gekozen voor de nuloptie. Dientengevolge is er naast een toestroom vanuit buurlanden duidelijk sprake van een toestroom vanuit omringende gemeenten, het zogenaamde binnenlandse drugstoerisme (o.a.Valkenburg, Vaals, Gulpen, Eijsden etc. ). Het reduceren van het aantal coffeeshops in Maastricht zal niet alleen tot oncontroleerbare overlast door illegale verkoop binnen Maastricht leiden. Omringende gemeenten lopen hiermee eveneens een risico door de verplaatsing van illegale handel naar grensgemeenten. Vanuit de positie als centrumgemeente berust omtrent deze gevolgen eveneens een verantwoordelijkheid bij de gemeente Maastricht.

Het beeld van de eigen gemeente en het lokale gebruik van cannabis is pas compleet als ook over de gemeentegrenzen heen wordt gekeken. Hoe ziet het coffeeshopbeleid bij buurgemeenten eruit? Geldt daar een vergelijkbare situatie? Of juist niet? Het is verstandig om binnen de regio het aantal inwoners en de hieraan gerelateerde vraag naar cannabisproducten te inventariseren en het coffeeshopbeleid hierop af te stemmen.

Na de typering van de gemeente, inzicht in het lokale cannabisgebruik en een schets van de omliggende gemeenten moet worden gezocht naar een evenwicht tussen de vraag naar cannabisproducten en het aanbod ervan. Aan het aanbod moeten dusdanige eisen worden gesteld, dat enerzijds aan de reële vraag tegemoet wordt gekomen, maar anderzijds geen drempelverlaging optreedt en het woon- en leefklimaat niet wordt verstoord.

Dit evenwicht zal zowel per gemeente als per deel van de gemeente zeer verschillend kunnen zijn. In veel gemeenten worden uitsluitend coffeeshops toegestaan in het centrum en/of in vastgestelde horecaconcentratiegebieden, al begint men nu overtuigd te raken van het nut van een spreidingsbeleid.
Ook kunnen er voor dat centrum of die concentratiegebieden aantallen worden vastgesteld en gelden er vaak afstandscriteria tussen coffeeshops onderling en tussen coffeeshops en bijvoorbeeld scholen. Op deze manier wordt in het beleid aangegeven hoeveel coffeeshops Maastricht en omgeving, en dus het woon- en leefklimaat kan verdragen en onder welke voorwaarden. De antwoorden op de voorgaande vragen geven een beeld van de lokale situatie. Al deze voorvragen dienen uiteindelijk om tot een verantwoorde beleidskeuze te komen, zodat een helder en transparant beleid wordt gevoerd.

Ofschoon de VOCM een coffeeshopvereniging is hebben wij een uitgesproken mening over de cannabisproductie. Het gaat immers over de producten die wij moeten verkopen. Allereerst worstelt de kweker met een door zichzelf opgeroepen beeld dat de kweek grotendeels in handen zou zijn van de georganiseerde misdaad.
Om zo weinig mogelijk straf te krijgen stellen zij zich tijdens het verhoor bij de politie als slachtoffer op door te beweren dat ze onder druk hun woning ter beschikking moesten stellen voor de wietkweek.
Het onderzoek naar de kweek van wiet in Nederland (in opdracht van het Ministerie van Justitie uitgevoerd door criminoloog Bovenkerk) had deze misvatting kunnen wegnemen. Het tegenovergestelde is gebeurd.
Het onderzoek heeft, door het kritiekloos overnemen van de processen verbaal van de politie en de slachtofferverhalen van gearresteerde kwekers die anders wellicht eerder uit hun huis worden gezet, de beeldvorming van de georganiseerde kweek van nederwiet juist versterkt.

De wietkweek in woonwijken is vaak kleinschalig van opzet, terwijl de grote kwekerijen vaak buiten woonwijken plaatsvindt en hoofdzakelijk bedoeld is voor de export. Er zijn echter aanwijzingen dat dit laatste afneemt omdat men in het buitenland de kweek van wiet sterk toeneemt.
Deze “Eurowiet” betekent dat ieder land steeds meer in de eigen behoefte van cannabis kan voorzien. Het gevolg is een afnemende afhankelijkheid van wiet uit Nederland.
Het voorstel van de VOCM betreffende de gereguleerde kweek voor de aanvoer naar de coffeeshops ziet er als volgt uit:

Door een coöperatief samenwerkingsverband op te richten tussen Gemeente, kwekers en de VOCM kunnen we tot een gereguleerde productie en aanvoer aan de achterdeur komen. Er zouden volgens ons voorstel een drietal gebouwen op industrieterreinen rondom Maastricht moeten worden vrijgemaakt. Hier zou dan de kweek van de voor de coffeeshops bestemde cannabisproducten moeten plaatsvinden onder de strenge controle van een dagelijks bestuur bestaande uit de kwekers, VOCM, gemeente, gezondheidsdienst(en), brandweer, politie en belastingdienst.
Dit bestuur ziet toe op de te gebruiken en vooraf geteste groeibevorderaars en eventuele bestrijdingsmiddelen. Wetenschappelijk onderzoek kan op deze wijze verantwoord worden uitgevoerd. Onderzoek naar de eventuele relaties tussen meetbare sterkte (THC percentage) en de kweekmethoden c.q. het gebruik van hulpmiddelen lijkt door de overheid als wenselijk te worden ervaren.


Ook wordt door de brandweer en milieudiensten regelmatig gecontroleerd op brand- en milieuveiligheid. De belastingdienst verkrijgt hiermee de door haar zo innig gewenste controle aan de inkoopzijde. Controleerbare facturen kunnen worden uitgereikt en brutowinstmarges kunnen objectief worden berekend.

Screenen van de kweker moet niet alleen door gemeente en politie plaatsvinden, maar ook door de VOCM i.v.m. vakbekwaamheid en kennis van de markt. Eenheidsworst onder kwekers moet worden tegengegaan. Wat we zeker moeten vermijden is eenzelfde ontwikkeling (fiasco) als met de mediwiet, waarbij de overheid door een slechte prijs – kwaliteit verhouding met een overschot van mediwiet in de maag zit. Als we met dit experiment niet hoog inzetten op diversiteit en kwaliteit dan wacht ons eenzelfde lot.
Een gedeelte van de winst die met deze coöperatie behaald wordt, zou terug kunnen vloeien naar de gemeentekas ten bate van bijv. voorlichting of betaling van het controleapparaat.

Het Ministerie van Justitie noemt de samenwerking van de gemeente Maastricht met de VOCM in haar boek "Best Practice Handhaving Praktijk Koffieshop Beleid" een lichtend voorbeeld voor alle gemeenten met meerdere koffieshops.

Samenwerking Gemeente -VOCM kan volgens de laatste nog verder worden uitgediept door in een vroeger stadium problemen met elkaar te bespreken. In dit kader is het dan ook toe te juichen dat de gemeente ons betrekt in het opstellen van een nieuw beleid betreffende de coffeeshops.

Dit zal uiteindelijk leiden tot evenwichtiger en beter doordacht beleid waar wij allen van kunnen profiteren.
Met dit nieuwe uitgebalanceerd beleid kan dan zowel naar minister Donner als naar het buitenland worden aangetoond dat het heel goed mogelijk is om de productie, verkoop en consumptie van cannabisproducten op een verantwoorde wijze te regelen en waarbij men geen angst hoeft te hebben voor ongewenste neveneffecten.